Meneer M te R

Er gaat geen novembermaand voorbij of ik moet wel aan hem denken: meneer M te R. Zou hij nog in leven zijn? Wat zou er van hem geworden zijn na de dood van zijn lieve en zorgzame vrouw? En zou zijn trein nog steeds rijden?
Om bij zijn huis te komen moest je over een modderige weg dwars door het bos.
Dan kwam je bij een huis waarvan je alleen maar kunt dromen. Een sprookjeshuis zoals dat van Hans en Grietje, of een datsja zoals die van Maarten en Eva Biesheuvel. In mijn Leidse studententijd liep ik vaak langs hun verscholen houten huis bij mij in de buurt, steelse blikken naar binnen werpend.

Zo’n huis wilde ik later ook, als afgestudeerde met een loopbaan die vast een hoge vlucht zou nemen. Gekke, leuke, psalm zingende Maarten is inmiddels niet meer. En ikzelf bleek toch ook meer een laagvlieger. Het liefst dicht bij de aarde, dicht bij de mensen. Meneer M te R was ‘general manager’ bij een groot bedrijf. Zo stond het althans op zijn
visitekaartje. Een man die wist wat er in de wereld te koop was. Zakelijk en no nonsens. Altijd druk, altijd op reis, altijd in vergadering of onderhandeling. Maar in de aanloop naar december nam hij steevast een maand vrijaf. Dan trok hij zich terug in een zijvleugel van zijn sprookjeshuis. En niemand die hij dan binnenliet.
Bij hoge uitzondering mocht ik langskomen, voor een goed pastoraal gesprek, zoals hij gekscherend zei. En dat deed ik maar al te graag. Samen met zijn vrouw stond hij me op te wachten. We dronken warme chocolademelk met slagroom en wisselden wat beleefdheden uit. Tot hét moment was gekomen en hij mij voorging naar zijn heiligdom, het kloppend hart van het huis. Wat ik daar te zien kreeg, tartte elke beschrijving. De hele kamer werd in beslag
genomen door een gigantische miniatuurtreinbaan in een besneeuwd berglandschap, compleet met tunnels, wegen, bossen, steden, dorpen, mensen en dieren. En dat alles alvast in een feestelijke kerstsfeer.
Nadat hij letterlijk op kousenvoeten zijn heiligdom was binnengeschreden, installeerde meneer M zich in een comfortabele bureaustoel vanwaar hij het hele winterse landschap kon overzien. En toen kon het feest beginnen.
Na wat gepruts met knoppen en een reeks afstandsbedieningen kwam het winterse landschap tot leven. De trein zette zich al toeterend in beweging, reed door tunnels en langs diepe dalen.
Bij een overweg gingen de spoorbomen naar beneden en de trein hield zowaar halt op een station waar mensen op het perron in de sneeuw stonden te wachten. Lichtjes gingen aan in kerstbomen, een fanfare begon een kerstdeun te spelen en een carrousel draaide rond. Je kwam werkelijk ogen en oren te kort om het hele spektakel in je op te nemen.

Maar meer nog dan het wonderbaarlijke schouwspel herinner ik mij het glanzende gezicht van meneer M. Als bij toverslag leek hij een gedaanteverandering te hebben ondergaan. Hier zat overduidelijk geen manager aan de knoppen, maar een kleine jongen die geheel en al opging in zijn heilig spel. Zo geconcentreerd en enthousiast zou ik hem niet meer meemaken.
‘Ach,’ zei zijn vrouw bij mijn vertrek, alsof ze zich voor hem wilde verontschuldigen. ‘Het is zijn manier om even van het werk afstand te nemen, moet je maar denken. Altijd die stress, dat houdt geen mens vol.’
Misschien hebben we allemaal wel zo’n heiligdom nodig om ons af en toe terug te trekken en even helemaal onszelf te zijn. De luiken gesloten. Een ruimte waarin wij zelf aan de knoppen zitten. Waar treinen stipt rijden, lichtjes uitnodigend branden en mensen veilig over straat gaan. Een wereld die zich niets aantrekt van de dwaasheden van machthebbers, van oorlogstuig en dreigende taal. De wereld van onze dromen.

Anja van de Poppe