Over spreken, schrijven en zwijgen

Wit

Als ik van U moet spreken, doe ik alle mooie woorden weg.
Ik wil maar liever weinig zeggen.
Ik wil maar liever enkele kale woorden zeggen.
Wat arme kale woorden, dat is mijn verhaal.
Mooie woorden denken alleen maar aan zichzelf,
ze weten van dienen niet.
De goede woorden zijn arm en naakt
als Franciscus.
Ze zijn trouw.
Enkele goede woorden, dat is genoeg.
Want er mag niets komen tussen U en mij.
Eigenlijk wil ik liever met U zwijgen.

J.C. van Schagen

Lang geleden volgde ik als eerstejaarsstudente Godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit in Leiden een verplichte reeks colleges Inleiding tot de Wijsbegeerte.

Wat een afschuwelijke mond vol. Maar zo heette het toen officieel. Eigenlijk ook wel weer grappig: zo’n pompeuze omschrijving voor een zootje ongeregeld, want dát waren wij.

De colleges werden verzorgd door een zekere F., een wat mysterieuze jongeman die, meen ik me te herinneren, promotieonderzoek deed naar de overeenkomsten tussen Aristoteles en een oude Indiase wijsgeer. Zelf had hij ook iets van een goeroe, met zijn lange donkere haren, grote baard en peinzende blik. Ik had hoge verwachtingen van het vak en keek dus met spanning uit naar zijn colleges.

Om een lang verhaal kort te maken: het werden inderdaad bijzondere uren. Niet vanwege wat hij zei, maar omdat hij vrijwel niets zei. Hij begroette ons vriendelijk en nam vervolgens zwijgend plaats achter het spreekgestoelte. Af en toe waagde iemand een vraag, waarop een bijna onbegrijpelijk antwoord volgde. De stilte daarna sprak boekdelen: wij tastten volledig in het filosofisch duister.

Eerst vonden we dat nog intrigerend. Maar na verloop van tijd raakten we op hem uitgekeken. We sleepten koffie de collegezaal in, voerden gesprekken met elkaar en hielden ons bezig met allerlei andere zaken van groot belang. Totdat het tentamen naderde. Toen trokken we F. aan zijn jasje. Hoe moesten wij ons in vredesnaam voorbereiden?

Struikelend over zijn woorden beloofde hij ons een syllabus. Daarin zou de behandelde lesstof nog eens overzichtelijk worden samengevat. We konden onze oren niet geloven. Welke behandelde lesstof?

Maar wat hadden wij ons op hem verkeken.

Ergens in mijn kast ligt die syllabus uit 1981 nog steeds. Van wegdoen wil ik niet weten. Haarscherp en verrassend toegankelijk formuleerde hij daarin de eerste beginselen van de westerse wijsbegeerte. Niemand heb ik dat sindsdien zó eloquent op papier zien doen. Mondeling mocht hij een stoethaspel zijn, schrijvend was hij een woordkunstenaar.

En ik vergeet nooit het motto dat hij aan zijn syllabus meegaf, van Ludwig Wittgenstein:

“Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.”

Deze en andere herinneringen kwamen bij mij boven drijven terwijl ik naar een leeg wit scherm op mijn computer zat te staren. Er moesten weer letters verschijnen op dat witte scherm. Ik moest iets gaan zeggen of beweren en dat op enig moment ook nog gaan voordragen. Maar het liefst zou ik er het zwijgen toe doen. Zoals docent F. destijds. Zoals de dichter J.C. van Schagen in zijn prachtige gedicht Wit. Want wat zijn in deze tijd nog goede woorden? Woorden die werkelijk iets zeggen? Woorden waaraan je je kunt optrekken?

Maar is zwijgen dan een optie? Vraagt onze tijd juist niet om mensen die opstaan en weerwoord bieden wanneer woorden worden gebruikt om te verdelen? Weerwoord aan het uitbannen van boeken, het monddood maken van vrije media en het ongewenst maken van groepen mensen. Vind dan maar eens die goede, kale woorden. Woorden die dienen en niet alleen aan zichzelf denken. Woorden, zo arm en naakt als Franciscus.

De Duitse theoloog Martin Niemöller (1892–1984) wist ze te vinden voor zijn tijd. Een tijd waarin zwijgen zelf een keuze inhield:

Toen de nazi’s de communisten arresteerden, heb ik gezwegen;
ik was immers geen communist.

Toen ze de sociaaldemocraten gevangenzetten, heb ik gezwegen;
ik was immers geen sociaaldemocraat.

Toen ze de vakbondsleden kwamen halen, heb ik niet geprotesteerd;
ik was immers geen vakbondslid.

Toen ze de Joden opsloten, heb ik niet geprotesteerd;
ik was immers geen Jood.

Toen ze mij kwamen halen
was er niemand meer die nog protesteren kon.

Anja van de Poppe